Een stuk pijn

“Je eet een stuk taart, maar je schrijft geen stukje.” De woorden dreunden bij me naar binnen. Ik had net mijn eerste blogpost gepubliceerd en mijn moeder – voormalig docent Nederlands – had er een fout in ontdekt. Ik had het woord ‘stukje’ gebruikt.

Als een rasp schraapte het commentaar de dunne laag van mijn ziel. Ik voelde mij klein en beleerd. Het was een vorm van passieve agressie die ik niet verdragen kon. Wat ik deed was niet per se fout; het was niet correct. En zoals het een onderwijzersdochter betaamt, doe je de dingen zoals ze horen. Niet zoals ze goed voelen, natuurlijk.

De situatie kleefde aan mij. Ik wist mij geen raad met ongevraagd advies van deze aard. Liever zag ik een rode streep door mijn werk, dan dat ik een gevoelige sneer aan tafel kreeg. Ik was er niet tegen gewapend. De scheurtjes in mijn toch al tere hart barstten open. Er kwam oud zeer uit. In gedachten stroomden de tranen over mijn wangen en gooide ik dat kutboekje met de regels van de Nederlandse taal dat ze er zojuist bij had gehaald in de vuilnisbak, waar net de verpakking van een leverworst – ik was al 20 jaar vegetariër – in verdwenen was.

‘Ze heeft gelijk’, dacht ik. ‘Ik heb gefaald’, voelde ik. Stiefvader schonk nog wat wijn bij en ging rond met een bord met daarop dikke plakken worst en milde mosterd. Mijn ogen schoten alle kanten op. Ik keek omlaag, opzij, omhoog. Ongezien voelde ik mij. Ongehoord vond ik het. Pijnlijk bovendien. Dit was waar ik groot mee was geworden: kritiek. Krassende verbeteringen en snijdende opmerkingen.

Mijn handen balden zich tot vuisten. De teerbeminde wist zich geen enkele raad. Er werd een nieuwe cd opgezet: Herman van Veen. “Mijn leven is totaal ontwricht. Ik voel me overboord gegooid. Vandaag las ik dit nieuwsbericht: De bom.. valt.. nooit.” Tjezus, wat een toestand. Twee babyboomers en een jong stel. Met allemaal de hartverscheurende behoefte aan troost. Ik ging naar de wc en besloot daar om de handdoek in de ring te gooien. Het had geen enkele zin.

Twee uur vol afleidingstactieken, politiek gezwets en harde noten om te kraken verder namen we afscheid. Ik reed. Mijn leed, zo klein als het leek, voelde onmetelijk groot. Mij was onrecht aangedaan. Ik was gekwetst. Waar in vredesnaam moest ik bemoediging vinden? Als iets niet correct is, is het sowieso niet goed. Toch?

Jaren later staat de gebeurtenis nog op mijn netvlies gebrand. Het schijnt dat het geheel subjectief is welke herinneringen je zelf een sterke en negatieve lading geeft. Iets wat je volledig zelf doet dus. Dat zal best, maar als je ergens niet om hebt gevraagd, moet je er dan te aller tijden ook wat mee? Ik heb geleerd mij te wapenen tegen andermans commentaar. Het is niet mijn falen; het is hun tactiek.

Tegenwoordig leef ik anders. Ik overleef niet meer door te blaffen, maar ik laat mij aaien door hen die de beste bedoelingen hebben. Mijn vacht is weliswaar wat uitgedund; ware affectie gaat nog best door de dikke huidlaag heen.

Minder is veel meer

Ik zie het met lede ogen aan: hedonisme heeft diepe wonden geslagen in onze dikke laag relativeringsvlees. Het lukt mij soms amper om de betrekkelijke aard van een gebeurtenis te blijven zien, nadat het veel te lang alleen maar ging over genot en geluk.

De nieuwe standaard

Genieten is het nieuwe overleven. Geluk is het nieuwe overwegen en overschot het hoogste goed. Hedendaagse burgers zijn hedonisten. Dat is inderdaad lekker over een kam geschoren, maar hé: ik ben er zelf ook een.

Ik voel mij soms naïef als ik stel dat ik een gevoelsmens ben. Alsof gevoelens minder waard zijn dan succes. Wie heeft mij dat wijsgemaakt? Het riedeltje klinkt in mijn hoofd: ‘Succes betekent invloed, invloed betekent voldoening en voldoening leidt onherroepelijk tot zingeving.’ Oh ja joh? Steeds vaker weet ik afstand te nemen van mensen die dit in mijn en andermans hoofd proberen te proppen.

De onthulling

Voor mij persoonlijk legt de coronacrisis pijnlijk bloot wat onze tot genotssamenleving vergroeide maatschappij is: een lege huls. Bedrijven die plezier verkopen, gaan over de kop. Ondernemers die geluk beloven, staan onder water. En zij die werken vanuit het hart, hun roeping volgen, mensenwerk doen, raken uitgeput.

We hebben met z’n allen jarenlang een oppervlakkige leefstijl gecreëerd. Het ging steeds vaker over geluk en behoeftebevrediging op korte termijn. Iedere vlek, hoe klein ook, werd snel weggepoetst. De scheurtjes dichtten we met vulpasta. Het geweten susten we met palmolievrije bakboter en het laten planten van een boompje. Ik ben daar zelf ook schuldig aan. Meer, vaker, sneller, perfect, compleet, alles. En nu is er leegte.

De werkelijke behoeften

Mijn sociale en emotionele behoeften zijn gigantisch. Samen zijn. Liefde. Troost. Perspectief. Houvast. Genegenheid. Contact. Zin. Aanraking. En ja: conflicten. Ontlading. Een lekkere schreeuwpartij. Ik mis het leven, niet het comfort.

Ik wil lering uit de huidige situatie trekken; een betere samenleving begint uiteindelijk bij jezelf. Welke van mijn verlangens zijn de wolf in schaapskleren geweest? Wat heeft er onder al die geluksdrift verborgen gezeten? Zou het kunnen zijn dat wat eronder zit uiteindelijk veel waardevoller is dan de stapel kortetermijnwinsten en oppervlakkige successen die erbovenop heeft gelegen?

Het echte verhaal

Mijn eerlijke verhaal misschien? Ik ga mij tegoed doen aan echte verhalen en pure emoties. Ik ga ervan vreten totdat ik op knappen sta. Ik zal delen wat ik heb. Van goede verhalen hebben we immers nooit genoeg. En dan misschien, ooit, als deze crisistijd voorbij is, gaat het weer wat vaker over het échte leven.

En ondertussen valt alles uit elkaar

Vaak moet ergens viezigheid uit voordat mooie dingen weer verschijnen. Ik zie het als een blaar die je doorprikt, of een puist die je uitknijpt. De ooit gave huid is tijdelijk stuk, maar zal helen. Zolang je er maar afblijft. En dat is een opgave: ergens van afblijven. Zeker wanneer iets jeukt, klopt, trekt. Ik doe mijn best om de korstjes niet aan te raken, maar ben te ongedurig om ze alle tijd te geven. Dus breng ik mijn dagen pulkend door.

En terwijl ik pulk, valt langzaam alles uit elkaar. Aan huis gebonden zijn betekent een uitputtingsslag voor de dagelijkse dingen. De gootsteen raakt verstopt. De vaatwasmachine begeeft het. Mijn krullen vallen slap. Ik ben statisch. Wifi valt steeds uit. De router dondert naar beneden. Er breekt een stuk van het bed af. Mijn toch al niet sterke nagels scheuren af van het continue handen wassen.

De dagen voelen allemaal hetzelfde. Omdat ik doordeweeks rustig ben, is de behoefte aan bijkomen in het weekeinde verdwenen. De immer gehate zondag duurt nu langer dan ooit. Voorheen kon ik ontsnappen aan het saaiheidsgevoel, maar momenteel zijn alle afleidingsbronnen platgelegd. Geen bioscoop, terras, café, museum, concert, markt, festival. Geen etentjes. Geen vrienden, enkel op afstand.

Het doet zeer om hoogbejaarden met wankele benen bijna om te zien vallen op de stoep. Ik zou ze willen helpen: een arm geven. Hier bij ons in het appartementencomplex schuifelt onze tachtigjarige buurvrouw tweemaal daags met haar rollator voorbij op de galerij. ‘Moet van mijn dochter.’ Het is verdomd stil op straat. Behalve de kinderen: die gillen het hardst. De energie spat er bij hun aan alle kanten van af. Ouders sturen ze naar buiten en andermans spullen en oren moeten het bezuren.

Het zijn niet zozeer de materiele dingen die ik mis. Ik kan prima zonder duur vertier. Maar die ontastbare zaken, die mis ik. De vanzelfsprekendheid en het gemak. Het letterlijke en figuurlijke sparren. Het verstand gebruiken. Lastige gesprekken voeren, want: over het weer en het werk wordt al genoeg geluld. Op sommige momenten ben ik bang mijn cognitieve vermogens kwijt te raken en vrees ik dat ik straks geen inhaalslag kan maken.

Gelukkig is de liefde er. Samen met de teerbeminde maak ik er het beste van. Het beste van het slechtste. In gedachten heb ik hem inmiddels achter elke behangstrook geplakt, en hij mij. Ik ruim op; hij maakt rommel. Hij repareert; ik maak stuk. We plakken overal ducttape op. Dat houdt het wel even. Zo hangt ons huis met plakband en schroeven aan elkaar. Of eigenlijk: ons leven. Want we werken en hebben lief, we zorgen goed voor de kat en houden contact, en toch.

Zoals de blaar en de puist moet ook dit genezen. Ik heb later – wanneer dat ook mag zijn, vermoedelijk flink wat tijd nodig om hiervan te herstellen. Mijn hersenen zullen de herprogrammering moeten accepteren. Het lijf zal anders functioneren. Sociale contacten zullen anders zijn. Het overbodige zal geschrapt worden en het noodzakelijke wederopgebouwd. De vraag is alleen: wat is noodzakelijk? Een gave huid, of een gehavende?

De stilte werkt verslavend

Het is dat gevoel van continue verveling. De fysieke lockdown is het ergste niet. Het is de mentale lockdown waar ik last van heb. De huidige coronamaatregelen lokken meer uit dan alleen veel binnen zijn en thuiswerken. Ze maken de dagen vlak, de uren lang en het perspectief klein. Toch houd ik mijn vizier open. Ik tuur naar de horizon en zoek lichtpunten. En als ik heel goed kijk, geduldig en met aandacht, kan ik er een paar ontdekken.

Het maakt op dit moment niet uit of ik op een doordeweekse dag of in het weekeinde werk. Schrijven kan op ieder moment, zolang er maar focus en creativiteit ontstaat. Maar daar lijkt een tijdelijk slot op te zitten. Hoe ik er ook aan rommel; ik krijg het vooralsnog bar weinig open. De momenten waarop er productiviteit bestaat, zijn schaars. Ik koester wat lukt.

Ik kijk ’s ochtends al uit naar de namiddag met podcasts. Er bestaat geen verschil meer tussen het ochtendhumeur en de avondvermoeidheid. Eerder alledaagse dingen zijn plots van immense betekenis. Groteske gebeurtenissen doen er niet meer toe. De knoop in mijn maag zit er voortdurend. Als ik wil weten hoe het aan de andere kant van de wereld gaat, moet ik eerst bergen coronanieuws doorploegen. Het maakt mij moe.

We koken samen iedere dag vers. De Cup-a-Soup lonkt; er staan opeens veel pakjes in de kast. Ik vind die met aspergesmaak het lekkerst en bewaar bij iedere kop de klontjes voor het laatst. Het kost mij op sommige dagen gruwelijk veel moeite om te bewegen. Sporten zonder de context van een trainer en een sparringpartner voelt onaf. Ik blijf zo in mijn hoofd zitten. De televisie staat minder vaak aan. Ik erger mij aan van alles wat ik op de beeldbuis zie.

Ik weet dat we in contact moeten blijven met elkaar, maar de stilte werkt verslavend. Ik vind het zonde om een rustige dag af te sluiten met een kletspraatje. Een diepgaand gesprek vind ik fijn om te voeren, terwijl het tegelijkertijd een bassin aan oude rommel opentrekt. Samenwonen is onder deze omstandigheden niet alleen maar ‘gezellig’. Het kost energie. Daarom verstop ik mijzelf iedere dag een tijdje op het onbewoonde eiland dat ons bed overdag is.

Het liefst help ik iedereen erdoorheen. Graag draag ik mijn steentje bij. Maar op dit moment doe ik dat door mij terug te trekken. Er juist even niet te veel te zijn. Er zijn zat mensen met goede bedoelingen; laat hen maar bewijzen waar ze al zo lang voor zeggen te staan. Ondertussen doe ik wat ik kan, voor wie ik liefheb. Ik vraag mij af of ik nog wel met zoveel afleiding kan leven wanneer het gewone leven weer verdergaat. Of de verstilling in mijn hoofd het razende tempo waarin we alles deden nog bij kan houden.

Ik ga het zien. Ik wacht het af. Ik houd van het leven en van alles wat daarbij hoort. En dat is ook dat continue gevoel van verveling, denk ik.

De ribbelrand

Er zit een scherp randje aan de vulling in mijn kies. Met mijn tong controleer ik minstens tweemaal daags of er iets aan veranderd is. Dat is nimmer het geval; toch blijf ik voelen. Waarom is dat toch? 

Soms doe ik het wanneer ik in gedachten verzonken wacht op de trein. Ik doe het wanneer ik een boek lees en ook na het eten natuurlijk. Even de tanden en kiezen nalopen op etensresten en hé: ‘Daar is het ribbelrandje weer’. Het voelt niet als dwang – angst voor desastreuze gevolgen als ik het niet doe blijft uit, maar misschien is het een geval van lichte drang. 

Ik stond nog wat te mijmeren over mijn idee op een andere golflengte te communiceren met mijn omgeving toen ik het weer deed. Het randje zat er nog. De spullen schoven tergend langzaam voorbij op de band. Ik pakte alvast mijn bonuskaart en boodschappentas. Nog niet alles was gescand, maar ik begon met het inpakken van de tas. Inmiddels lag de helft van mijn spullen aan het eindstation van de kassa als een berg kroelende peuters over elkaar heen te draaien. Even voelde het alsof het leven veel te snel ging voor me.

Thuis friemelde ik nog wat met mijn tong langs de ribbelrand van mijn kies. Op televisie kwam de trailer van Koffietijd voorbij. Oh, hoe irritant ik die Loretta Schrijver vind. Deze vrouw is hoogopgeleid en al 30 jaar actief in de mediabranche en gedraagt zich toch als wereldvreemde kleuter. Mijn God, Jeroen, wat zag jij wat ik niet zie? Ze kondigde het mannenpanel aan, dat de volgende ochtend zou komen praten over seks. Spannend. Not.

De tandarts zegt mij bij iedere halfjaarlijkse controle dat het randje verwijderd kan worden. Nee dus. Geen geklooi aan mijn gebit zolang er niks levensbedreigends aan de gang is. Daar heeft een gepensioneerde en later – vlak voor mijn operatie – ‘toch maar weer’ parttime teruggekeerde, seniele kaakchirurg met een medische misser voor gezorgd, voor deze angst. Iets met een aanprikte zenuw, vastgehechte wang en voor altijd gevoelloze rechterhelft van mijn tong. Het scherpe ribbeltje mag blijven.

Misschien is het ritueel met de tong en de ribbelrand mijn interpretatie van mindfulness: geen rozijn maar een ribbel. Ik word er in ieder geval lekker rustig van. Net als van nagelbijten, nagloeien met tijgerbalsem, vogelgeluiden om 05.00 en 17.00 uur en hardcore. Dat laatste is geen geintje.

Zen.