Groot ongemak in de trein

Hoe krijg ik het voor elkaar? Mijn voet zit klem tussen de stoel voor mij en de rand waar nét geen voet op past. Ook niet die van mij. Ik begrijp niet waarom zulke randen gemaakt worden. Totaal disfunctionele dingen. En nu komt de conducteur er ook nog eens aan. ‘Heb ik nou wel of niet ingecheckt?’ Op zoek naar mijn chipkaart graai ik wat in mijn tas en jas. De kaart glijdt uit een van de jaszakken en valt op de vloer, naast een plakkerig plasje koffie. Wel of niet? Wel of niet? Ik weet het niet meer. Op dit soort momenten voel ik mij een droeftoeter. En een neuroot. Maar ik doe helemaal niet aan één been op de stoep en andere bezweringsformules. Ik doe alleen aan inchecktwijfel.

Ik stel mijzelf gerust met de gedachte dat er meer reizigers zijn die dit hebben. Dat weet ik zeker. Toch stoort het mij hoe warm ik het krijg van zulke situaties. Iedere keer weer de zenuwen en natte oksels. Deze keer zit de mascara ervan onder mijn ogen. De conducteur is er bijna, nog twee vierzitters bij me vandaan. En ik weet het niet meer. Kak. Wat kan ik doen? Alle opties nagelopen kies ik voor de minst erge: ik ga vi-sua-li-se-ren. Even rustig nagaan wat ik allemaal heb gedaan voor het instappen. ‘I went to the beach and immediately started drinking‘. Ik open mijn ogen om te zien wie mijn momentje verstoort en aanschouw een aangeschoten Amerikaan die snoevend de coupé inkomt. Achter hem drie andere Amerikanen met grote blikken goedkoop bier in de hand. Ik ruik ze – meer dan een biertje – en zie hoe ze aan de andere kant van de coupé achter elkaar in twee tweezitters plaatsnemen.

De rust is weg en ondertussen ben ik ook mooi aan de beurt bij de conducteur. Hij controleert mijn chipkaart en stinkt ongelooflijk uit zijn bek. Ik vind ‘m wel erg aardig doen. Blijven lachen. Ik blijk gewoon te zijn ingecheckt. Al dat geklooi voor niks. In de verte hoor ik de Amerikanen schik hebben met geesteloze grappen. Ik zit totaal niet lekker door spierpijn, plakbillen en het gemis van een brede rand voor het neerzetten van mijn voet. Terwijl ik schuif en draai, mijn benen over elkaar sla en toch weer onderuitzak, word ik ‘geroepen’. ‘The lady over there that happens to be ve-ry pretty’. Oh, hier houd ik dus niet van. De meest luidruchtige van de vier Amerikanen biedt mij een halve liter bier aan, zijn maat port hem hierbij stevig in de zij. Ik zeg nee. Normaal gesproken lust ik er wel eentje, maar vandaag ben ik aan het werk. ‘So, what is it you do?’, vraagt een van hen. ‘I write, mostly about irony found in everyday live‘. De Amerikanen vallen even stil.

Even maar, want na enkele seconden vertellen ze me ongevraagd waarom ze hier zijn. Ondanks dat ik er geen behoefte of boodschap aan heb, hoor ik dat deze mannen niet voor Nederland komen. Ze komen voor Amsterdam. Onder andere voor de ‘fucking amazing‘ illegale feesten onder viaducten in de buurt – waar precies is mij een raadsel – en de ‘gezelligheid’ ’s avonds op de Wallen, waar ze kamergenoten uit het hostel tegenkomen. Ze eten shoarma, pizza, kip, hamburgers en soms een dag alleen ‘candybars‘. Bovendien vinden ze het leuk om te hangen in The Bulldog Palace. De Amerikanen vinden Amsterdammers toffe mensen die doen ‘whatever the fuck they feel like‘. Alleen de dames kunnen beter; veel zijn er arrogant. Ondertussen friemel ik aan mijn broek. Ik zie een paar vlekken zitten. De avocado van gisteravond? Ik maak het alleen maar erger en veeg gruwelijke strepen lichtgroen vet over de stof uit.

Ik ben al snel redelijk klaar met ze. Hun verhalen interesseren me geen kont. Op de uitgeklapte tafeltjes groeit de verzameling lege halveliterblikken Export pils. Ze zitten de boel daar knap weg te drinken. Ik onderneem diverse pogingen om de gespreksvoering eenzijdig te beëindigen. Ik kijk naar buiten. Al snel word ik weer ‘geroepen’. Ik doe mijn oordopjes in. Er worden kleine propjes gegooid. Ik geef een grote mond. Het windt de Amerikanen op. Tjezus, wat gebeurt hier? Terwijl zij inmiddels joelen en hyenageluiden maken, zoek ik overprikkeld een andere coupé op. Het wordt weer stil. Tot overmaat van geluk ga ik er bij het volgende station uit. Zij ook: ‘how nice‘. Bij het uitstappen vang ik nog een glimp op van de Amerikanen in hun glimmende shirts, rare sneakers en vormloze jeans. Met ferme pas loop ik het perron af, achter me hoor ik nog wat heisa. Het ebt weg. Ik spoed mij huiswaarts om te schrijven. Spontane ingeving. ‘Oh, the irony of it all’.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *