De ziekte van Graag

Ik zit veel op Facebook. Dagelijks, even snel of uitgebreider dan nodig. Fascinerend vind ik de ‘gratis af te halen’ groepen. Daar gebeuren interessante dingen. Daar raken mensen verslingerd aan het woord graag en voeren discussies over Hollandse normen en waarden. Mensen worden verwelkomd, beschuldigd en verwijderd. Er vindt sociale controle plaats en gezelligheid.

Facebookgroepen als deze zijn online communities, waar de noodzaak van een kattenbak ondergeschikt lijkt aan de bijkomstigheid van contact. Mij maak je namelijk niet wijs dat je ’s ochtends wakker wordt met de concrete wens om twee koffiemokken met barsten en butsen toe te voegen aan de uitzet. Of drie kussens met ‘gebruikerssporen’, een emmer die een beetje lekt, een tuinstoel met schimmel, kortingsbonnen voor uitjes die alsnog minstens 25 euro kosten. Dat zijn geen zaken om mee te overleven, dat zijn pogingen tot een sociaal leven. En dat mag.

Het toverwoord in deze groepen is graag. Wanneer dit woord onder een foto met aangeboden product is geplaatst, volgt de uitnodiging tot het sturen van een privébericht. Of een discussie. Een aantijging van voordringen, afpakken en onacceptabel gedrag. Binnen de groepen heerst een conformiteitsdwang waar de huidige inburgeringscursus voor nieuwkomers een puntje aan kan zuigen. Het blijkt meestal een ongelukkig misverstand, onbedoeld enthousiasme of gewoonweg onbekendheid met afspraken en regels.

Wanneer ik zelf iets aanbied, ontvang ik op een product minstens vijf keer het toverwoord. De eerste die graag zegt, mag ophalen. Het bekende privébericht volgt. Tijd en dag worden afgesproken en dan plots is kind ziek, auto kapot, ligt manlief in het ziekenhuis of wordt er gespuugd na het eten van iets verkeerds. Ellendig en tegelijkertijd moeilijk te geloven. Pas twintig berichten, vier nieuwe afspraken en een paar diepe zuchten verder ben ik eindelijk van mijn meubels, kleding of accessoires af. Het bleek niet van levensbelang. En het voelt niet eens zo fijn. Het voelt als gedoe om dingen gratis weg te geven. De glans raakt ervan af wanneer het zo ingewikkeld moet.

Met ongeveer 12.000 leden in een middelgrote stad als Haarlem en in Amsterdam een bijna dubbele hoeveelheid leden, groeien de Facebookgroepen nog altijd in ledental. Gedeeltelijk ingegeven door gebrek aan financiële middelen, grotendeels door mensen die zich – nu volgt een voorzichtige verwachting – eenzaam voelen. Mensen die verlegen zitten om een praatje prut, contact ook al is het digitaal en als het lukt, een (kort) bezoekje aan de deur.

Ik denk dat er vaak graag wordt gezegd in een poging om in contact te komen met andere groepsleden. Meestal nog voordat duidelijk is dat het om een specifieke maat, versie of beschadiging gaat. Aangeboden producten hebben hierdoor geen manifeste maar latente functie. De soms chatbox-achtige gesprekken in de groep gaan over dankbaarheid en boosheid, betrokkenheid en aversie. Er komen hartjes en boze emoticons voorbij. Woorden als gunnen en fatsoen. Verheerlijken en verguizen. De beheerders beslechten de ruzie. Er wordt toegevoegd en verwijderd. Een slotje erop. Een nieuwe foto. Het verhaal begint opnieuw. Ik ga maar eens opruimen, kijken of ik nog wat te vergeven heb, of…zal ik een praatje maken?

Oranjebitters

Er zijn twee typen mensen: zij die bij oranje het tempo verhogen en naar de overkant knallen en zij die dat niet doen. Ik behoor tot de laatste categorie. Wanneer ik het stoplicht nader en zie hoe het van groen naar oranje verspringt, matig ik mijn snelheid al. Meestal voel ik de zin niet om mij te haasten. Om mij heen schieten dan de drammers, jakkeraars en coole types voorbij. Zij maken een statement door te laten zien waar het oranje licht voor bedoeld is. In hun ogen bestaat deze kleur om hen te dienen.

Ik noem deze fietsers de oranjebitters. Ze staan symbool voor de samenleving zoals deze in mijn ogen georganiseerd is. De conformisten, zij kijken zelfs bij groen licht nog drie keer voordat ze gaan. De functionalisten, groen is gaan en rood is stoppen. Oranje bestaat niet. De rebellisten, zij steken het liefst over wanneer het rood is. De oranjebitters, zij kicken op een lelijke kleur en geven af op eenieder die dit niet doet. Ik voel bij het afremmen de verwondering, de dwingende blikken. “We mogen gewoon hoor” en “oranje is geen rood” vliegen mij dan om de oren.

Het is niet eens dat ik niet durf, ik heb gewoon geen zin. Ik doe aan mindful fietsen, in het hier en het nu. Met aandacht en rust. Het oranje licht is mijn rozijn op de tong. Ik voel ‘m, ik ervaar ‘m. Ik gniffel wanneer ik zie hoe de oranjebitters alsnog aan de andere kant van de straat moeten wachten op hun conformistische of functionalistische vrienden. Ja, dan ben je eerder aan de overkant. En dan? Stel je een samenleving voor waarin fietsers massaal bij oranje zouden oversteken. Dat mislukt. Zoals alles wat we en masse proberen te doen, mislukt.  Het driefasensysteem van het Nederlandse stoplicht is effectief. Laten we kleur bekennen.