Sociale kwelling

Tegenwoordig bevragen we elkaar over het uitblijven van een like in plaats van een mening en ondanks dat we het niet willen, knaagt het toch als die ene vriend geen of een bijtende opmerking plaatst. Wat gij niet wilt dat u geschiedt, geldt in sociale media niet. Er wordt wat afgebrand en beledigd, alsof we massaal behoefte hebben aan een uitlaatklep. Alles wat vroeger achter de schermen gebeurde – roddelen, stoom afblazen, persoonlijke irritaties en frustraties – gebeurt nu recht in je digitale gezicht.

Picture or it didn’t happen. Dit is het hedendaagse uitgangspunt. Geen weekendje weg zonder PicCollage, geen verre reis zonder een 200 foto’s tellend album en geen training zonder check-in op de sportschool. Ik steek hand in eigen boezem: ik doe het ook. Soms voelt een lege tijdlijn alsof ik niets doe. Waarom is dit? Hoe deed ik dat vroeger?

Tot mijn negentiende levensjaar had ik geen mobiele telefoon. Mijn eerste toestel had een antenne en eendimensionaal scherm. Relaties verbrak ik al huilend tegenover mijn niet langer beminden. Afspraken kwam ik na. Het alternatief was telefonisch afzeggen. Met andere woorden: bellen naar een vast telefoonnummer met het risico eerst een ouder, grote broer of zus aan de lijn te krijgen. Om nog maar te zwijgen van de uitleg die ik als verplichting voelde wanneer ik aangekondigd afhaakte. Totaal geen zin in.

Hoe ik presteerde bij het sporten ging als een lopend vuurtje. Daar was geen Facebook voor nodig. Op welke school ik zat was geen geheim. Jongens die heimelijk verliefd op mij waren, vroegen rond in hun vriendenkring. Geen zoekacties op internet, niet speuren naar profielen. Bij wederzijdse verliefdheid volgde een fantastische briefwisseling; zo’n beetje iedere zaterdag lag er een handgeschreven liefdesbrief in de bus. Heerlijk was het om deze te lezen, en nog een keer. De rest van de zaterdag besteedde ik aan het opstellen van een brief die al zijn romantische woorden overtrof.

Wanneer ik mij verveelde pakte ik nog maar eens een boek uit de kast. Of ging ik fietsen. De natuur in. Bij een vriendinnetje langs. Op onderzoek in de voorraadkast. Verhalen schrijven. Alleen naar het duinmeertje om te zonnen. Rummikuppen bij oma en oudtantes. Dat ik aankwam of afviel ging niemand ene reet aan. Over actuele thema’s discussieerde ik bij maatschappijleer en godsdienst, anderen voor lul zetten deed ik niet. En toch ben ik zeker niet het braafste meisje van de klas en beken ik mijn zonden. Want ja, ook ik ‘zit’ op sociale media.

Ik bekijk echter met minder plezier alle tijdlijnen. Onlangs kwam ik erachter dat een groot deel van de tijdlijnvervuiling op Facebook veroorzaakt werd door honderden aangevinkte interesses. Ik ontdekte dit door in godsnaam eens te klikken op ‘waarom zie ik dit?’ Moet jij ook eens doen. Marketingbluffers en commercieboeven weten berichten te plaatsen waarmee jij met één klik plots geïnteresseerd bent in onderwerpen als voetbal (?), vuurwapens (!) en Lil’ Kleine (…). Ik ben uren bezig geweest met het uitvinken van deze interesses. Een ware revelatie: sociale media draaien niet om gewoon doen, maar om gewoon doen. Een kwestie van klemtoon.

Tot schrijfs (gekke smiley).

 

Over tijdrekken en lijntrekken

Och jongen, wat zou het fijn zijn als het echt zo vrijmoedig was als jij hebt gehoopt. Als mijn principes rigide waren gebleken. Gewoon lekker leven, jezelf losweken van de dagelijkse sleur en controledrang. Want dat is wat het was, volgens jou. Loslaten, genieten, niet zeiken, het onbekende. De boel de boel laten, plezier maken, de ultieme beleving. En nu ben je stuk, niet te repareren. Je driftige tred verraadt je.

Je had een leuke jeugd, ondanks de alcoholverslaving van jouw vader en afhankelijke persoonlijkheid van jouw moeder. De vriendjes in de straat, uit het voetbalteam en van school waren er altijd. Muiten, matten, stelen, lachen. Jullie deden het allemaal. Echte jongens. Jij was populair, zag er goed uit, lachte veel, won met alles. Thuis wachtten er twee jongere broers en een zusje, je had weinig met ze. Soms vonden jullie elkaar in buitenspelen. Ik zag je weleens aan het einde van de straat. Ik vond je intimiderend stoer. En grappig.

Je was niet ongelukkig, het was gewoon taai. Je kreeg een dikke huid, grote bek, groot hart. Met een havodiploma op zak begon je na een jaartje horecawerk aan een vaste baan in de bouw. Doordeweeks hard werken en in het weekeinde goed los. Je vertrouwde volledig op je maten: wat zij meebrachten was goed. Snuiven, slikken, tikken. Een kwartje, halfje, dunne lijn. Niets ernstigs, iedereen deed het. Who cares. Experimenteren. Je deed je werk goed, geen klachten, leuke vriendin, zag er fit uit, geen klagen. Ik kwam je soms tegen op feestjes. Ik vond je een luidruchtige allemansvriend.

Er kwamen barstjes. Ruzie met het meisje, gezeik met de maten. Conflict met jouw werkgever: je was er niet altijd bij, je liet steken vallen. Klote, want je wilde je geld verdienen. Gebruiken was duur. Het kostte je inmiddels meer dan je vrij te besteden had. Kleiner wonen dan maar. Jouw zelf verbouwde appartement verruilde je voor een kamer in een studentenhuis. Je was inmiddels ver in de twintig. Leven was lastig, slapen ging nog best aardig. Soms voelde je wat stekende pijn in je hartstreek. Ik hoorde geregeld over je. Ik voelde mij er geagiteerd bij.

De huisbaas gooide je eruit. Een van de huisgenoten – kutwijf – had jou verraden. Ze zag je een lijntje leggen toen je na een lange werkdag met de kamerdeur open probeerde bij te komen. Dat mocht blijkbaar niet. Bekrompen leven en anderen naaien zeker wel. Je had weinig vertrouwen in de medemens, laat staan in de liefde. Slapen deed je vervolgens bij een kennis op de bank. Je ouders had je al jaren niet gezien, je belde mama wel op Moederdag. De broertjes kwamen zo nu en dan langs voor een biertje, zusje leidde een geslaagd leven als psycholoog. Ik sprak je als ik jouw kennis bezocht. Ik werd geraakt door jouw eenzaamheid.

Je raakte je baan kwijt. Nu was je afhankelijk van “die nazi’s” van de gemeente. Je moest je elke week melden bij de klantmanager en werd geduwd richting verslavingszorg. As if. Je kluste via een coffeeshopkennis wat bij met tegelen en stuken, kwam via gastenlijstjes geregeld op clubavonden en festivals en sliep bij lekker weer in de duinen of het bos. Die kennis van je vroeg je na verloop van tijd een eigen plek te zoeken. Hij had een vriendin met wie hij thuis zijn gang wilde gaan. Je overwoog heel even je ouders te bellen. Nee, je besloot een verlaten woonboot te kraken. Ik stond elke week bij de woonboot. Ik wilde je helpen.

Je staat schuimbekkend tegenover me en vraagt dwingend om geld. De bijstandsuitkering is gestopt, je hebt je niet aan de regels gehouden. Je slaapt in de opvang en weigert iets aan dagbesteding te doen. Je bent immers niet achterlijk, je bent een vakman en kunt meer dan ik ooit zou kunnen. Als ik niks regel, mag ik oprotten. Je lijkt in de verste verte niet op de jongen die ik heb gekend. Of toch…je bent intimiderend, maar niet intimiderend stoer. Dus dit is “gewoon lekker leven”, compleet losgeweekt zijn van de dagelijkse sleur en controledwang. Ik benijd je niet. Ik houd van mijn gezond verstand, mijn onderbuikgevoel. Ik koester mijn principes en grenzen. Je draait je om en loopt weg. Ik kijk je na. Ik ben je kwijt.

De aardbei op de slagroom

Verhaspelingen; ik ben er dol op. Zij maken de Nederlandse taal leuker, zelfs voor ‘taalhaters’ (ze bestaan). Onlangs hoorde ik een trotse kerel vertellen, in een weeïg televisieprogramma over klussen en verbouwen, dat zijn huidige huis voor hem de aardbei op de slagroom was. Tijdens een nieuwsuitzending stelde een geïnterviewde campagneleider luid brullend dat hij iets deed dat anderen niet durfden: “de handdoek in het hoenderhok werpen”.

Zelfs bekende presentatie- en redactietalenten glijden weleens uit. Van sommige bekende gezichten komt dit niet als een verrassing. In een eerder verschenen bundel met leukste verhaspelingen bleek Matthijs van Nieuwkerk de kroon te spannen. Dat is toch interessant. De snelspreker, woordenrammelaar, belezen en geprezen Van Nieuwkerk die zo dikwijls struikelt over uitdrukkingen en gezegden. Toch deert het hem en andere verhaspelaars niet.

Taalorakel Johan Cruijff werd er enkel sympathieker van: wie nam hem de bizarre samentrekkingen kwalijk? Zijn zelfverzonnen predicaten verschenen op T-shirts, koffiemokken en petten. Nederland lachte er hartelijk om. Het is immers aandoenlijk om te horen hoe mensen hun best doen op foutieve beeldspraak.

Vacatureteksten staan er ook bol van, dat maakt de zoektocht naar werk amusanter. Werkgevers willen doortastende professionals met vlotte pen en heldere communicatiestijl en schrijven zelf: “je bent een spil in het web” en “jij hebt een hands-on analytische werkstijl”. Wat te doen?

Verhaspelingen zijn overal en vaak subject van vermaak of een verzetje. Vrijwel iedereen maakt zich er weleens schuldig aan en dat is precies wat verhaspelingen leuk maakt. Ze zijn verraderlijk en vermakelijk. Wie ze maakt, moet van ze houden.Onlangs een grappige verhaspeling gehoord of gelezen? Laat ‘m achter in een reactie en maak mij en volgers deelgenoot.

De ziekte van Graag

Ik zit veel op Facebook. Dagelijks, even snel of uitgebreider dan nodig. Fascinerend vind ik de ‘gratis af te halen’ groepen. Daar gebeuren interessante dingen. Daar raken mensen verslingerd aan het woord graag en voeren discussies over Hollandse normen en waarden. Mensen worden verwelkomd, beschuldigd en verwijderd. Er vindt sociale controle plaats en gezelligheid.

Facebookgroepen als deze zijn online communities, waar de noodzaak van een kattenbak ondergeschikt lijkt aan de bijkomstigheid van contact. Mij maak je namelijk niet wijs dat je ’s ochtends wakker wordt met de concrete wens om twee koffiemokken met barsten en butsen toe te voegen aan de uitzet. Of drie kussens met ‘gebruikerssporen’, een emmer die een beetje lekt, een tuinstoel met schimmel, kortingsbonnen voor uitjes die alsnog minstens 25 euro kosten. Dat zijn geen zaken om mee te overleven, dat zijn pogingen tot een sociaal leven. En dat mag.

Het toverwoord in deze groepen is graag. Wanneer dit woord onder een foto met aangeboden product is geplaatst, volgt de uitnodiging tot het sturen van een privébericht. Of een discussie. Een aantijging van voordringen, afpakken en onacceptabel gedrag. Binnen de groepen heerst een conformiteitsdwang waar de huidige inburgeringscursus voor nieuwkomers een puntje aan kan zuigen. Het blijkt meestal een ongelukkig misverstand, onbedoeld enthousiasme of gewoonweg onbekendheid met afspraken en regels.

Wanneer ik zelf iets aanbied, ontvang ik op een product minstens vijf keer het toverwoord. De eerste die graag zegt, mag ophalen. Het bekende privébericht volgt. Tijd en dag worden afgesproken en dan plots is kind ziek, auto kapot, ligt manlief in het ziekenhuis of wordt er gespuugd na het eten van iets verkeerds. Ellendig en tegelijkertijd moeilijk te geloven. Pas twintig berichten, vier nieuwe afspraken en een paar diepe zuchten verder ben ik eindelijk van mijn meubels, kleding of accessoires af. Het bleek niet van levensbelang. En het voelt niet eens zo fijn. Het voelt als gedoe om dingen gratis weg te geven. De glans raakt ervan af wanneer het zo ingewikkeld moet.

Met ongeveer 12.000 leden in een middelgrote stad als Haarlem en in Amsterdam een bijna dubbele hoeveelheid leden, groeien de Facebookgroepen nog altijd in ledental. Gedeeltelijk ingegeven door gebrek aan financiële middelen, grotendeels door mensen die zich – nu volgt een voorzichtige verwachting – eenzaam voelen. Mensen die verlegen zitten om een praatje prut, contact ook al is het digitaal en als het lukt, een (kort) bezoekje aan de deur.

Ik denk dat er vaak graag wordt gezegd in een poging om in contact te komen met andere groepsleden. Meestal nog voordat duidelijk is dat het om een specifieke maat, versie of beschadiging gaat. Aangeboden producten hebben hierdoor geen manifeste maar latente functie. De soms chatbox-achtige gesprekken in de groep gaan over dankbaarheid en boosheid, betrokkenheid en aversie. Er komen hartjes en boze emoticons voorbij. Woorden als gunnen en fatsoen. Verheerlijken en verguizen. De beheerders beslechten de ruzie. Er wordt toegevoegd en verwijderd. Een slotje erop. Een nieuwe foto. Het verhaal begint opnieuw. Ik ga maar eens opruimen, kijken of ik nog wat te vergeven heb, of…zal ik een praatje maken?

Oranjebitters

Er zijn twee typen mensen: zij die bij oranje het tempo verhogen en naar de overkant knallen en zij die dat niet doen. Ik behoor tot de laatste categorie. Wanneer ik het stoplicht nader en zie hoe het van groen naar oranje verspringt, matig ik mijn snelheid al. Meestal voel ik de zin niet om mij te haasten. Om mij heen schieten dan de drammers, jakkeraars en coole types voorbij. Zij maken een statement door te laten zien waar het oranje licht voor bedoeld is. In hun ogen bestaat deze kleur om hen te dienen.

Ik noem deze fietsers de oranjebitters. Ze staan symbool voor de samenleving zoals deze in mijn ogen georganiseerd is. De conformisten, zij kijken zelfs bij groen licht nog drie keer voordat ze gaan. De functionalisten, groen is gaan en rood is stoppen. Oranje bestaat niet. De rebellisten, zij steken het liefst over wanneer het rood is. De oranjebitters, zij kicken op een lelijke kleur en geven af op eenieder die dit niet doet. Ik voel bij het afremmen de verwondering, de dwingende blikken. “We mogen gewoon hoor” en “oranje is geen rood” vliegen mij dan om de oren.

Het is niet eens dat ik niet durf, ik heb gewoon geen zin. Ik doe aan mindful fietsen, in het hier en het nu. Met aandacht en rust. Het oranje licht is mijn rozijn op de tong. Ik voel ‘m, ik ervaar ‘m. Ik gniffel wanneer ik zie hoe de oranjebitters alsnog aan de andere kant van de straat moeten wachten op hun conformistische of functionalistische vrienden. Ja, dan ben je eerder aan de overkant. En dan? Stel je een samenleving voor waarin fietsers massaal bij oranje zouden oversteken. Dat mislukt. Zoals alles wat we en masse proberen te doen, mislukt.  Het driefasensysteem van het Nederlandse stoplicht is effectief. Laten we kleur bekennen.