Ik, de ondernemer

Toen ik twee jaar geleden als ondernemer begon, wist ik niet dat er zoveel ondernemersbullshit bestaat. Groeiprogramma’s, winstmodellen, masterclasses, workations. Ik ben de verwondering inmiddels voorbij. Maar eerlijk is eerlijk: er zijn ook schitterende hoogtepunten.

VIVA400

Plots was daar het mailtje: ‘Gefeliciteerd, je bent samen met 399 andere vrouwelijke ondernemers opgenomen in de VIVA400 van 2019.’ Ik moet bekennen dat ik het tijdschrift VIVA nooit lees. Behalve de vier keer per jaar dat ik bij de kapper zit en het blad altijd – geheel expres – op het kaptafeltje voor mij open leg bij de AnyBody. Dat is die blootrubriek. De blikken van anderen bij het zien van al die tetten en billen zijn goud waard. Echt, mijn dag kan niet meer stuk na een uurtje plagen met zoveel bloot en gekke piemelplaatjes.

Nu sta ik dus in de VIVA-lijst van 400 onderneemsters die impact maken met hun werk. Dat is nogal wat. Ik maak als oprichter van het platform BRAVICO en schrijver van het boek Gedialogeerd – een positieve kijk op eenzaamheid – kans op het winnen van de titel Wereldverbeteraar. Je kunt op mij stemmen tot en met 2 december 2019. Dat gaat heel gemakkelijk, door hier te klikken en voor mij te kiezen. Doe maar, je maakt mij er blij mee.

Loslaten. Loslaten? Loslaten!

Ondanks mijn befaamde vasthoudendheid moet ook ik soms veranderen van koers of mening. Zo veranderde ik mijn idee om ‘iets met eenzaamheid onder jonge mensen te doen’ van – het laten ontwikkelen van – een social app in het lanceren van een (online) platform. Ik smeerde donkergroene verf op het woonkamermuurtje dat acht jaar bruingrijs was geweest. Ook speelde ik met de gedachte om de besneeuwde bergen in te gaan met de teerbeminde – iets wat mij eerder de koude (hilarisch) rillingen gaf als winterhater. Er kwamen nieuwe planten bij en gingen oude kledingstukken weg. Ik haalde Facebook van mijn smartphone af en installeerde in plaats daarvan een stappenteller.

Met zeeziekte niet het water op

Eigenlijk doe ik gewoon nooit meer dingen waar ik niet goed in ben. Oké, bijna nooit. Ik weet niet alles en kan niet alles. Dat mag best gezegd worden. Mijn persoonlijke mening: je bent goed in iets als je je daar goed bij voelt. Ik word bijvoorbeeld kotsmisselijk van veel en lang bellen. Kletsen om het kletsen. En dan terloops iets ‘tegen iemand aanhouden’. Dus bel ik amper. Heerlijk rustig in mijn hoofd.

En dan is er nog iets. Wat ik doe moet diepgang hebben. Het verhaal achter de hoogbejaarde vrouw die iedere morgen opnieuw voor nog geen twee ons vlees naar de slager schuifelt. De pijn van een gescheiden vader die graag eens op de voorgrond in plaats van langs de zijlijn staat. Het waarom van een vechtpartij, die continu terugkerende familie-anekdote, de navertelling van een indrukwekkend evenement. Het fascineert mij allemaal.

Resumé

Onder de streep is 2019 een goed jaar voor mij als ondernemer. Minder slapeloze nachten om de krappe portemonnee en meer leuke dingen doen. Daarover gesproken: ik ga eens informatie opsnorren over de kerstmarkten die ik volgende maand met de teerbeminde bezoek. Iets met mierzoete glühwein, veel te veel drukte, foute muziek en een reuzenrad.

Stronteigenwijs

Ik zeg het meerdere malen per dag tegen mezelf: ‘Doe het niet.’ En toch doe ik het altijd. Dus ook deze maand heb ik van alles vies en stukgemaakt. Verrassend.

Wanneer ik mijzelf in drie woorden moet samenvatten – het zal je verbazen hoeveel mensen dit vragen en denken dat het heel verrassend is om elkaar zo ‘te leren kennen’, noem ik, als ik daar zin in heb, in willekeurige volgorde: onhandig, eigenwijs, ongemakkelijk. Ik schaaf me allang niet meer aan de rafelranden van het leven; ik poets mij er juist aan op.

De meest ongemakkelijke dag van de maand. Het was buiten nat – want regenachtig. Overal lag troep, van gevallen bladeren tot verse modder. Ik besloot dat het een hele handige dag was voor het dragen van mijn witte sneakers. Nou ja, eigenlijk paste wit gewoon het beste bij de outfit die ik aanhad. Omdat ik geen zin had om mij om te kleden – ja doei, mijn haar zat net goed – trok ik volledig tegen beter weten in die witte schoenen aan.

Alles verliep volgens plan. Ik lette bij mijn wandeling richting het station goed op en probeerde zo te voorkomen dat ik in plassen of hondendrollen stapte. Aangenaam verrast door mijn oplettendheid. ‘Focus, Irene. Focus.’ Bij letterlijk de laatste stap ging het dan toch mis. Het gebeurde op die klotetrap naar het perron. De trap die ik sinds ik er dagelijks gebruik van maak, al verfoei.

Ik dacht me te verstappen. Dat heeft te maken met iets in mijn evenwicht, of…gewoon onoplettendheid. Dat kan ook. Ik zag de frontale val al helemaal voor me en corrigeerde nog even snel mijn stap. Ik voelde hoe mijn witte sneaker schuurde langs de troep die vastgeplakt zat aan het beton waaruit de trap gegoten was. Ik durfde bijna niet te kijken. Deed het toch. Een bruine veeg op de neus. Een veeg die eruitzag als verse stront.

Gedurende de treinrit van bijna twintig minuten heb ik non-stop naar mijn bevuilde schoen gekeken. Ik raakte zowel geïrriteerd als gefascineerd door de vieze veeg. Op Amsterdam Centraal had ik tien minuten overstaptijd. Bij Julia’s pikte ik een paar servetten en poetste hiermee, vreemd voorover hangend, de smuts weg. Maar voor wie het nog niet was opgevallen: Julia’s is grotendeels groen. Dus de servetten van Julia’s zijn ook grotendeels groen. En ze geven af. Je kunt je vast een voorstelling maken van het eindresultaat.

Twee uur later aangekomen in een bovengemiddeld saai dorp moest ik nodig naar de wc. Ik had van alle spanning wat poepdrang gekregen. Gelukkig beschikte de stationsrestauratie – voor hen geboren na 2000: dat zijn de ‘stationshuiskamers’ – over een toilet. Ik ging vlijtig aan het werk en zocht na mijn verrichte arbeid naar het wc-papier. Dat bleek op. Ja ja, vrouwen staan erom bekend dat soort dingen van tevoren te checken en – in de meeste gevallen – ook alvast een stapeltje papier in de hand te houden. Wat dat betreft schaar ik mijzelf niet onder de ‘typische vrouw’.

Op een los velletje na dat op de vloer naast de pot lag en er gebruikt uitzag, zag ik in die hele ruimte verder niks dat op potentieel veegmateriaal leek. Er zat niets anders op dan mijn notitieboekje aan flarden te scheuren en de boel daaronder enigszins te deppen en fatsoeneren met A4-lijntjespapier. Dat boekje zat overigens in mijn rugtas, die op zo’n twee meter bij de toiletpot vandaan op de verschoontafel – want genderneutraal toilet, stond. De prop liet zich niet wegspoelen. ‘Jullie wc zit verstopt en het wc-papier is op’ meldde ik bij de kassamedewerker toen ik mijn weg vervolgde.

De rest van de dag heb ik met rauwe billen, een verdachte bruingroene veeg op mijn verder witte schoen en een uit elkaar vallend notitieboekje rondgelopen op een drukbezocht netwerkevenement. Behoorlijk schaamteloos. De dag leverde geen enkele lead op. Maar hé: wel weer iets om over te schrijven. Prima resultaat voor een verhalenbaas.

De kwelling die badkledingdag heet

De witte voering van mijn bikinibroekje hangt er als een stuk maandverband uit. Ik zie het pas in de kruidensauna en ben benieuwd hoe lang ik er zo bij heb gelopen. Al vanaf aankomst is dit het minst ontspannen saunabezoek ooit. Na bijna een half uur in de rij te hebben gestaan, samen met heel veel vrouwen die regelrecht uit de stal zijn gelopen, ben ik ‘binnen’. Het is badkledingdag en ik ben erbij.

Gelul met scrubzout

Ik begin in de zoutsteensauna. Deze grenst aan de scrubdouche: een populair plekje, zo blijkt. Onder de douche staan twee vrouwen die ik zo rond de dertig jaar schat. Ze praten hard. Heel hard. Over helemaal niks. ‘Ik zei’. ‘En toen zei hij.’ ‘Dus ik zeg.’ ‘En oh ja.’ ‘Nou, niet te geloven, toch?’ Ik zie ze soppend ouwehoeren door de glazen deur van het zweethok waar ik in zit. Ze praten net zo lang als ik deze sauna volhoud: vijfentwintig minuten.

Oorverdovend gefluister

Op naar de volgende: de Finse. Heet en droog, precies waar ik van hou. Twee stellen liggen erin. Na ongeveer drie minuten op de bovenste plank met een neksteun die mijn nekwervels niet ondersteunt maar pijn doet, komen er twee jonge vrouwen binnen. Overduidelijk verwikkeld in een opgewonden roddelgesprek. Ze besluiten na het zien van het stilte-symbool op de deur van de sauna om fluisterend verder te ‘kletsen’. In een stilteruimte praten is irritant; fluisteren nog veel irritanter. ‘Moet ik weer degene zijn die er wat van zegt natuurlijk’.

Patat met

In het restaurant – waar zoals te verwachten valt eigenlijk geen lekkere gerechten te krijgen zijn, bots ik tegen twee kwijlende, volwassen mannen op. Ze dragen leren valhelmen en hebben oranje zwembandjes om. Ze zijn door hun zussen meegenomen en mogen nu wat lekkers uitzoeken van de menukaart. ‘Ik wil een moorkop.’ Die staat helaas niet op de kaart. ‘Ik wil een tompouce.’ Ook die heeft het saunarestaurant niet op het menu staan. ‘Dan wil ik patat.’ Ik vind het een ontroerend plaatje: twee friemelende, grijze kerels, geflankeerd door hun zussen, voorovergebogen aan tafel, in zwembroek, met Fristi aan de kin en mayonaise in de borstharen.

Natte billen

Na het eten moet ik poepen. ‘Perfecte timing’ grap ik mezelf toe. Het toiletpapier blijft aan mijn week geworden billen plakken. Probeer maar eens een natte kont af te vegen: het is niet te doen. En wat mij hierbij overigens ook tegenvalt, is het ontbreken van een bidet. Zeker in een omgeving als deze. Een kwartier later kom ik de wc uit en kijk in het gezicht van een zure pruim. Ze trekt een vreemde grimas. Ik vermoed dat ze probeert duidelijk te maken dat ze het smerig vindt dat ik net heb gepoept. Bij zulke reacties vraag ik mij altijd af wat mensen verwachten dat je doet bij poepdrang. Ophouden? Terughalen? Ik durf te garanderen dat dat een groter fiasco oplevert.

Smeren en wapperen

Tijd voor een ritueel. Iets met klankschalen en meditatie in een grote ‘yurt’. Een half uur later blijk ik voor niks buiten de tent te hebben gewacht: de ritueelbegeleider is er niet. Of ik wil deelnemen aan een andere beleving. Tuurlijk. De beleving houdt in dat ik mijzelf, met mijn knieën schurend tegen de blote rug van een flink behaarde man in kleermakerszit voor mij, mag insmeren met een crème van kokosolie, jojoba en ‘parfum’. Met volledig verstopte poriën zit ik te midden van veertig wildvreemden een 15-minuten durend wappertafereel uit. Ik begrijp er geen klote van. En in plaats van de beloofde zachte huid houd ik er de rest van de middag enkel vette meuk op mijn lijf aan over.

In het gangpad

Bijkomen in de relaxruimte dan. Maar niet nadat ik gênant hard aan een schuifdeur sta te trekken alsof het een zwaaideur is. En tot driemaal toe de verkeerde route heb genomen. Mijn oriëntatie is überhaupt niet de beste; in een saunacomplex vertroebelt het laatste beetje coördinatievermogen altijd als sneeuw voor de zon. Eenmaal gevonden blijkt de ontspanningsruimte niets meer dan een doorgang te zijn van de ene naar de andere kant van het complex. Tussen de ligstoelen loopt een gangpad waar continu gasten voorbij glibberen en – ook mij – de weg vragen. In de hoek wordt met ijs gegooid door vrienden die de afkoelruimte hebben ontdekt.

Het werkt allemaal niet zo ontspannend; ik besluit huiswaarts te gaan. Het kost nog enige moeite. Een slagboom die niet opent, file op de snelweg, alle stoplichten op rood. Geeft niks. Eenmaal thuis spoel ik mijn bikini uit, neem ik een uitgebreide douche en trek mijn huispak aan. Kijk, dát is pas ontspannen.

Ze zijn waar en doen even pijn: clichés

De crowdfundingcampagne via Voordekunst voor mijn boek Gedialogeerd is niet gelukt. ‘Financiering onsuccesvol’ staat er nu bovenaan mijn campagnepagina. Dat is even slikken. En toch ga ik lekker door. Een kort verhaal over vallen en weer opstaan. Het niet mooier maken dan het is. Want het is misschien een cliché: niet slagen doet een beetje pijn.

Het voelt als die ene toets steeds maar niet halen, terwijl je voor de rest van de vakken knettergoede cijfers haalt. ‘Ik ben toch niet achterlijk?’ Het soort tegenslag dat mijn enthousiasme, mijn overtuiging, eigenlijk mijn hele zijn in luttele seconden onderuit kan halen. Ja, zo ben ik.

Ik glijd uit over de drol die ik net zelf met verve heb gedraaid.

Weet je, al het ach en wee daargelaten, blijf ik in mijn boek geloven. Dat schijnen schrijvers sowieso te moeten doen: geloven in hun eigen werk. Dus reis ik moedig verder door Nederland om verhalen te verzamelen. Het brengt me ergens.

In een koffiehuis in IJmuiden, tussen de schapen in Weesp, in gesprek met stille helden en stoere zwijgers, aan zee in Den Haag, de Markthal van Rotterdam, in vreemde Facebookgroepen, in het groen van Naarden, aan de telefoon met vage types, zwetend op 3-hoog in centrum Utrecht, mailend met mensen die me telepathisch iets willen doorgeven, oog-in-oog met dromers en wereldverbeteraars.

Dit doe ik dus zelden: om hulp vragen.

Benieuwd naar het boek? Je kunt mij steunen. Liever niet met clichés. Iedere donatie – hoe klein ook – is welkom. En elke cent ervan gaat naar Gedialogeerd. Beloofd. Doneren kan hier. Liever een Tikkie? Laat het mij weten.

Kusje.

De vlecht

Eerst dacht ik dat ik het niet goed zag. Dat ik me wel moest vergissen. Daarna volgde de verwondering. Uiteindelijk moest ik de verontrustende conclusie trekken dat het klopte wat ik dacht te zien. Een onthutsend mirakel.

Natuurlijk diende ook dit mirakel zich bij mij aan in de trein. Een overvolle, vertraagde sprinter om precies te zijn. ‘Die verzint die verhalen waar je bij staat’, hoor ik je denken. Nou ja, figuurlijk hoor ik dit allemaal dan. Want ik dicht mijzelf geen hoogsensitieve of bovennatuurlijke krachten toe. Het is gewoonweg een feit dat ik best regelmatig met de trein reis, en oog heb voor afwijking.

Ja, mijn verhalen zijn sterk. Maar onverzonnen.

Ik rook van alles: tabak, Gloria Vanderbilt, puberzweet, patatje oorlog – oh nee, dat was toch dat puberzweet, kruidenthee of iets anders antroposofisch, Axe deodorant – die blauwe, knoflook, kauwgom, ongewassen jeans, sinaasappel, kaas – of ongepoetste tanden, haarlak en huidvet. Alleen het onheil, dat rook ik nog niet.

Mijn oog viel op de man die met zijn gezicht naar mij toe stond te ‘lezen’ op zijn mobiele telefoon. Hij wiegde zachtjes heen en weer. Niet al te opmerkelijk. Tot ik zag wat ik niet wilde zien. Zijn broek hing nogal laag, aan de achterkant – dankbaar dat ik het niet heb mogen checken – vermoedelijk een flinke bilnaad tonend. De broek hing zo laag omdat er een grote buik in de weg zat. En daar, tussen de rand waar de geruite blouse in verdween en de riem in, hing ‘ie.

Ik heb er in totaal 35 minuten naar mogen staren, want zo lang deed die kloterige trein erover om mij van A naar B te vervoeren. Overigens een naaistreek, want de route liep faliekant verkeerd langs C t/m Z als gevolg van bermbrand, storing, vertraging en uitval. Er was genoeg tijd om met potentiële verklaringen en alternatieve duiding te komen. Dit was het touwtje waaraan het prijskaartje had gezeten. Of een losgeschoten grove draad uit het textiel. Een uit kokoshaar vervaardigde riem misschien.

Bij het naderen van mijn tussenstation, ik moest namelijk nog eenmaal overstappen, viel het kwartje. Of het doek. Deze man had een vlechtje in zijn schaamhaar gemaakt. En dat vlechtje, of flufje, hing uit zijn broek. Aan het uiteinde van de vlecht een piepklein elastiek. Zo een die je voor je slotjesbeugel gebruikt. De kleur van de vlecht was rozerood. De lengte ongeveer 6 centimeter vanaf de huidplooi gemeten.

Kijk, ik ben de beroerdste niet. Ik ben groot voorstander van zelfbeschikking, -regie, -ontplooiing, -ontdekking, -zorg en meer van dat alles. Natuurlijk staat het eenieder vrij om te doen en laten met lichaamsbegroeiing wat hij of zij wilt, maar ik weet niet of ik het oké vind als dit soort esthetische beslissingen ook publiekelijk worden gedeeld. Nee, daar heb ik moeite mee. En nee: ik vergis mij niet. Ik weet – helaas – wat ik heb gezien.

Een vlechtje van schaamhaar.